Afrikaans and Dutch/Regression tests

From Apertium
Jump to navigation Jump to search

Afrikaans --> Dutch af-nl As jy nie so veel sou eet nie ...

       - Als jij niet zo veel zou eten ...
       +


af-nl Suid-Afrika se hoofstad.

       - Zuid-Afrika's hoofdstad.
       +


af-nl Ons bure se vrienden se seun.

       - Onze buren hun vriend zijn zoon.
       +


af-nl Ek weet nie.

       - Ik weet niet.
       +


af-nl Hy bid nooit.

       - Hij bidt nooit.
       +


af-nl Weet jy dit nie?

       - Weet jij dit niet?
       +


af-nl Ek ken hom nie.

       - Ik ken hem niet.
       +


af-nl Geen mens weet nie.

       - Niemand weet het.
       +


af-nl Ek ken nie daardie man nie.

       - Ik ken die man niet.
       +


af-nl Jy let nie op nie.

       - Jij let niet op.
       +


af-nl Hy sal nie kom nie.

       - Hij zal niet komen.
       +


af-nl Hy het nie gekom nie.

       - Hij is niet gekomen.
       +


af-nl Hy kom nie.

       - Hij komt niet.
       +


af-nl Ek het nie geweet dat hy sou kom nie.

       - Ik heb niet geweten dat hij zou komen.
       +


af-nl Ek het geweet dat hy nie sou kom nie.

       - Ik heb geweten dat hij niet zou komen.
       +


af-nl Mensen wat nie rook nie lewe lange.

       - Mensen die niet roken leven langer.
       +


af-nl Hy kan nie kom nie want hy is siek.

       - Hij kan niet komen want hij is ziek.
       +


af-nl Dis nie so moeilik om Afrikaans te leer nie.

       - Het is niet zo moeilijk om Afrikaans te leren.
       +


af-nl Ek weet niks nie.

       - Ik weet niks.
       +


af-nl Ek ken niemand nie.

       - Ik ken niemand.
       +


af-nl 1ste.

       - 1ste.
       +


af-nl 2de.

       - 2de.
       +


af-nl 7de.

       - 7de.
       +


af-nl 8ste.

       - 8ste.
       +


af-nl 9de.

       - 9de.
       +


af-nl 19de.

       - 19de.
       +


af-nl 20ste.

       - 20ste.
       +


af-nl 21ste.

       - 21ste.
       +


af-nl 100ste.

       - 100ste.
       +


af-nl 1533ste.

       - 1533ste.
       +


af-nl Duitsland se belangrikste handelsvennoot is Frankryk.

       - Duitslands belangrijkste handelspartner is Frankrijk.
       +


af-nl Suid-Afrika se besigste hawe is by Durban wat een van die wêreld se diepste natuurlike hawens is.

       - Zuid-Afrika's drukste haven is bij Durban wat één van de werelds diepste natuurlijke havens is.
       +


af-nl Johannesburg se internasionale lughawe is die grootste op die vasteland van Afrika.

       - Johannesburgs internationale luchthaven is de grootste op het vasteland van Afrika.
       +


af-nl Die enigste amptelike taal is Spaans, hoewel die immigrante se nasate wat ouer as 40 jaar is, hulle eie taal behou het.

       - De enigste officiële taal is Spaans, hoewel immigrantens nazaten die ouder als 40 jaar zijn, hun eigen taal behouden hebben.
       +


af-nl 'n Autochtoon is 'n persoon wie se ouers beide in Nederland gebore is en wat self ook in Nederland gebore is.

       - Een autochtoon is een persoon wiens ouders beide in Nederland geboren zijn en die zelf ook in Nederland geboren is.
       +


af-nl Die stad se eeue-oue multikulturele samelewing geniet wêreldwye aansien.

       - De stads eeuwenoude multiculturele samenleving geniet wereldwijd aanzien.
       +


af-nl De Beauvoir sê dat hierdie houding vroue se sukses beperk.

       - De Beauvoir zei dat deze houding het succes van vrouwen beperkte.
       +


af-nl Die uiteindelike baba se geslag, alle uiterlike kenmerke en 'n groot deel van sy karakter is nou reeds vasgestel.

       - Het uiteindelijke gelsacht van de baby, alle uiterlijke kenmerken en 'n groot deel van zijn karakter zijn nu reeds vastgesteld.
       +


af-nl Die vrou se seun.

       - De vrouws zoon.
       +


af-nl Vrou se seun.

       - Vrouws zoon.
       +


af-nl Ek is beter as jy.

       - Ik ben beter dan jij.
       +


af-nl Ek is meer betroubaar as jy.

       - Ik ben betrouwbaarder dan jij.
       +

Dutch --> Afrikaans

       +


nl-af Geef mij maar alles wat eetbaar is.

       - Gee my maar alles wat eetbaar is.
       +


nl-af Het duurste wat er was.

       - Die duurste wat daar was.
       +


nl-af Hij nam precies datgene wat ik had gewild.

       - Hy het presies dies gevat wat ek wou hê.
       +


nl-af Dit is waar hij woont.

       - Hierdie is waar hy woon.
       +


nl-af Kijk, wat een groot gebouw!

       - Kyk, wat 'n groot gebou!
       +


nl-af Grote mensen en kinderen.

       - Grootmense en kinders.
       +


nl-af Ze wonen hier.

       - Hulle woon hier.
       +


nl-af Ik spreek geen Engels.

       - Ek praat nie Engels nie.
       +


nl-af Hij doet dat wat onbedachtzaam.

       - Hy doen daardie wat nie versigtig.
       +


nl-af Landen zoals Engeland en Frankrijk.

       - Lande soos Engeland en Frankryk.
       +


nl-af De gebouwen van een stad.

       - Die geboue van 'n stad.
       +


nl-af Ik heb al gegeten.

       - Ek het al geëet.
       +


nl-af Hij heeft een huis gekocht.

       - Hy het 'n huis gekoop.
       +


nl-af Ik heb de boter gesmolten.

       - Ek het die botter gesmelt.
       +


nl-af De boter is gesmolten.

       - Die botter is gesmelt.
       +


nl-af Hij heeft niet geantwoord.

       - Hy het nie geantwoord nie.
       +


nl-af Dat zou ik niet doen.

       - Dit sou ek nie doen nie.
       +


nl-af Het zou gaan regenen.

       - Dit sou gereën het.
       +


nl-af Zal ik eerst gaan?

       - Sal ek eerste gaan?
       +


nl-af Het zal toch niet werken.

       - Dit sal tog nie werk nie.
       +


nl-af Dat zal niet gebeuren.

       - Dat sal nie gebeur nie.
       +


nl-af Ik moet het even aanzien.

       - Ek moet dit ewe aansien.
       +


nl-af Ik zie dit gedoe even aan.

       - Ek sien hierdie gedoe ewe an.
       +


nl-af Je hoort het als ik het even heb aangezien.

       - Jy hoor dit as ek dit ewe het aangesien.
       +


nl-af Hij moet gaan.

       - Hy moet gaan.
       +


nl-af Moest je nog werken vanavond?

       - Moet jy nog werk vanaand?.
       +


nl-af Ik wou dat ik dat kon.

       - Ek wou dat ek dat kan.
       +


nl-af De trein vertrekt om elf uur.

       - Die trein vertrek om elf uur.
       +


nl-af Ik weet niet of ik moet vertrekken of dat ik het haar moet uitleggen.

       - Ek nie weet nie of ek moet vertrek of ek dit haar moes verduidelik.
       +


nl-af Hij is steeds aan het werken.

       - Hy is steeds aan die werk.
       +


nl-af Ik ben ouder dan jij.

       - Ek is ouer as jy.
       +


nl-af Wat is er nou weer dan?

       - Wat is dit nou weer?
       +


nl-af Er zijn geen huizen in deze straat.

       - Daar is geen huise in dié straat nie.
       +


nl-af Hij is ziek.

       - Hy is siek.
       +


nl-af Ik weet dat hij ziek is.

       - Ek weet dat hy siek is.
       +


nl-af Hij kan geen Afrikaans spreken.

       - Hy kan nie Afrikaans praat nie.
       +


nl-af Ik wil dit niet doen.

       - Ek wil dit nie doen nie.
       +


nl-af Ik ben vandaag naar het strand geweest.

       - Ek was vandag by die strand gewees.
       +


nl-af De andere kant.

       - Die ander kant.
       +


nl-af Heb je enig idee wat dat is?

       - Het jy enigste idee wat daardie is?
       +


nl-af Hij heeft enige dingen laten zien.

       - Hy het enkele dinge gelaat sien.
       +


nl-af Als je die knop indrukt, gaat de computer uit.

       - As jy wat knoppie indrukke, gaan de rekenaar uit.
       +


nl-af Melk is goed voor elk.

       - Melk is goed voor elk.
       +


nl-af Is dat allemaal voor mij?

       - Is daardie almal vir my?
       +